Geld als universele maatstaf van waarde

Geld als manier om te communiceren over waarde gaf ons een nieuw evolutionair voordeel. Het verbeterde ons wederkerig altruïsme en liet ons opnieuw toe om beter 'sociaal te schalen'.

Geld als universele maatstaf van waarde

In het vorig deel bespraken we hoe taal ons zo’n 80,000 jaar geleden een evolutionair voordeel gaf ten opzichte van andere soorten op onze aardbol. Met enig gevoel voor overdrijving, is abstractie een haast buitenaardse technologie die onze limiet op samenwerking compleet neerhaalde. Naast taal was er nog een andere sociale instelling die ons toeliet om bepaalde problemen op te lossen en om op nieuwe manieren samen te werken. Het ontstaan van primitieve vormen van geld gaf ons mogelijkheden die andere dieren of mensensoorten niet hadden. Hoewel de eerste vormen van geld nog lang niet leken op wat we nu verstaan onder geld, delen ze welbepaalde, specifieke karakteristieken en waren ze dus niet uitsluitend symbolisch of decoratief.

Primitief geld

We kunnen in onze geschiedenis een grote verscheidenheid aan soorten geld vinden die we doorheen de tijd en op verschillende plaatsen gebruikt hebben. Vandaag hanteren we voornamelijk papier (en meer en meer gebruiken we digitale vormen daarvan) maar zo is het niet altijd geweest. Goud en zilver zijn de bekendste voorbeelden van andere vormen van geld. Archeologen en anthropologen vonden echter overal ter wereld objecten die volgens Szabo (2002) niet enkel decoratieve waarde hadden maar een primitieve vorm van geld waren. We vonden restanten terug van kettingen van schelpen die dateren van wel 75,000 jaar geleden. Je kan je voorstellen dat het maken van deze objecten tijd in beslag nam. Ook voor de prehistorische mens was tijd schaars en kostelijk. Hun bestaan was inherent onzeker en het vinden van voldoende voedsel was een dagelijkse opdracht om te overleven. Het produceren van deze primitieve objecten betekende dat je tijd om voedsel te zoeken aan iets anders spendeerde.[1]

blombosbeads1
Geperforeerde schelpen opgegraven in de Blombos grotten in Zuid-Afrika (100,000 - 70,000 jaar geleden)

ivorybeads
Ketting van ivoor opgegraven in Sungir (gedateerd 30,000 jaar geleden) (bron)

Schelpen verzamelen doen we vandaag nog altijd op het strand en we hebben nog altijd een zwak voor sierraden, huis-interieur, postzegels, treintjes en andere objecten. Ik keek onlangs op mijn zolder en ik vond er dozen met knikkers, Pokémon-kaarten, gesigneerde foto’s van een niet-nader-te-noemen voetbalclub en een verrassend grote hoeveelheid van (ondertussen compleet nutteloze) bekabeling van telefoons, televisie en computers. De vraag is dus waarom we dit doen? Op het eerste zicht geeft het ons weinig extra nut.

Een symbool voor wederkerig altruïsme

De meeste dieren werken enkel samen met familieleden en bloedverwanten. Op die manier helpen ze om hun DNA te propageren (vespreiden). Er zijn een aantal specifieke gevallen van dieren die samenwerking vertonen tussen niet-bloedverwanten. Evolutionaire psychologen noemen dit ‘wederkerig altruïsme’. Tenzij een uitwisseling van gunsten of diensten gelijktijdig is (vlooien plukken bijvoorbeeld), bestaat er altijd een risico dat één van de partijen vals speelt. In speltheorie noemen we dit ‘het dilemma van de gevangene’. Als beide partijen samenwerken, zijn ze alle twee beter af maar als een van de twee vals speelt krijgt de ene niets en de andere extra. De dominante strategie is altijd om vals te spelen.

Sommige dieren leerden samenwerken door meermaals hetzelfde spel te spelen met een strategie die ‘tit-for-tat’ noemt. Je begint met samenwerken en blijft dat doen totdat de andere partij valsspeelt. Een voorbeeld hiervan is symbiose van een parasiet en haar gastheer (gegeven dat de gastheer een zeker nut heeft aan de parasiet). Een ander voorbeeld zijn visjes die bacteriën uit de mond van andere vissen eten. Nog een voorbeeld zijn vleermuizen. Deze lugubere beestjes leven van het bloed van zoogdieren. Moeders gaan ‘s nachts op zoek naar bloed en brengen het terug naar hun jongen. In sommige gevallen delen ze dit met anderen die op die avond minder geluk hadden. Ze doen dit echter enkel bij vleermuizen die ze al heel lang kennen (vertrouwen). Tot slot, delen ook wij, mensen, onze overschotten met niet-bloedverwanten. Szabo merkt op dat Richard Dawkins suggereert dat we dit doen door middel van geld: “Geld is een formele token van uitgesteld wederkerig altruïsme”. Verder onderzoekt Dawkins dit niet, Szabo wel.

De belangrijkste factor om samenwerking en wederkerig altruïsme te bevorderen in kleine groepen is reputatie. Het grootste probleem in wederkerig altruïsme is de waardebepaling van gunsten of geschenken. Het probleem van waardebepaling zit in iedere transactie die we doen: in uitwisselen van gunsten, in ruilhandel, in geld, in werkgelegenheid en in het aankopen van goederen. Als de twee partijen niet dezelfde waardebepaling hanteren zal samenwerking met een tit-for-tat strategie wellicht vrij snel spaak lopen. De mogelijkheid van beide partijen om met een zekere accuraatheid de waarde vast te stellen van een gunst is het belangrijkste obstakel van wederkerig altruïsme bij dieren. Wij mensen slagen er opnieuw in om een oplossing te vinden voor dit probleem, namelijk met geld. Maar als we in onze geschiedenis zo’n verscheidenheid aan vormen van geld gekend hebben, wat is geld dan precies?

Geld als logisch gevolg van ruilhandel

Volgens Carl Menger, gezien als de grondlegger van de Oostenrijkse economische school, is geld iets dat spontaan en onvermijdelijk tot stand komt op een vrije markt met een redelijk volume aan ruilhandel.

Ruilhandel vereist dat een aantal specifieke voorwaarden voldaan zijn. Die voorwaarden zijn wat de Klassieke economen een ‘double-coincidence-of-wants’ noemen. Beide partijen moeten iets hebben wat de andere partij wil op het moment van de ruil, en vice-versa. Als ik een ruil wil doen, dan moet de tegenpartij mijn goederen willen EN iets kunnen aanbieden dat ik in de plaats wil. Met genoeg vertrouwen tussen beide partijen kan er ook een uitgestelde ruil plaatsvinden (na de oogst of na de jacht bijvoorbeeld). Maar er duiken nog problemen op. Het leven van een prehistorische mens is inherent onzeker. Je kan van een kale jacht terugkeren en alsnog de afgesproken ruil niet uitvoeren. Daarnaast is er het probleem van waardebepaling dat groter wordt wanneer een deel van de ruil eerder in de tijd plaatsvond en dus enkel een herinnering is. Deze problemen bemoeilijken wederkerig altruïsme des te meer.

Een ander probleem van ruilhandel is dat het niet goed schaalt. Het werkt redelijk goed bij een beperkt aantal goederen en handelaars maar wordt alsmaar kostelijker als de volumes en het handelsnetwerk vergroten. Wanneer je 3 goederen en diensten ruilt, heeft een ruilhandel-economie nood aan 3 verschillende prijzen voor de verschillende goederen. Bij 4 goederen hebben we al nood aan 6 verschillende prijsverhoudingen. Als je 100 producten onderling wilt handelen, is er nood aan 4950 verschillende prijsverhoudingen. Wanneer je geld gebruikt als intermediair goed om N goederen te ruilen, heb je slechts N prijzen nodig. Geld als intermediair goed verlaagt onze cognitieve kost.

Geld is dus een ‘medium-of-exchange’ (ruilmiddel) en/of een ‘unit-of-account’ (waardestandaard).

Ik moet bovenstaande denkoefening nuanceren. Het werk van Menger legde de basis voor de Oostenrijkse economische stroming op het einde van de 19e eeuw. We hebben vandaag veel meer informatie en opgravingen om ons een inzicht te geven in de manier van leven van onze voorouders. De oorsprong van geld volgens Menger moet je (volgens mij) eerder zien als een denkoefening. Een theoretisch kader om op een logische manier het ontstaan van geld te verklaren. David Graeber (2011) is kritisch en stelt dat ruilhandel een mythe is die nooit echt heeft plaatsgevonden:[2]

Geen enkel voorbeeld van een ruilhandel-economie, is ooit beschreven, laat staan dat er geld uit voortkomt; alle beschikbare etnografie suggereert dat er nog nooit zoiets is geweest. (Caroline Humphrey)

Ruilhandel is waar we noodgedwongen op terugvallen wanneer geld verdwijnt. De handelsnetwerken van de primitieve mens waren wellicht veel te klein in volume. Ruilhandel is ongetwijfeld voordeliger dan geen handel, maar het vereist zeer specifieke omstandigheden die vaak niet voldaan waren. Het primitief geld dat we bespraken, bestond reeds voordat grootschalige handelsnetwerken ontstonden. Szabo noemt dit primitief geld simpelweg collectibles (‘verzamelobjecten’) maar het waren objecten met een aantal specifieke kenmerken en ze lieten ons toe om rijkdom op te slaan of te ruilen. Ze lieten ons toe om te communiceren over waarde in een universele taal. Deze collectibles waren niet enkel decoratief. Ze lieten nieuwe soorten van waardetransfers toe die nieuwe sociale instellingen in het leven riepen. Collectibles verlaagden transactiekosten in elk van deze instellingen. Geld verbeterde de werking van kleinschalige handelsnetwerken door de nood aan krediet (schuld) te verminderen. Het dilemma van de gevangene bij specialisatie tussen verschillende mensen werd opgelost met een simpele ruil.[1:1]

We konden bijvoorbeeld voor het eerst, vrijwillig onze rijkdommen nalaten aan ons nageslacht. Het ontstaan van het concept van bruidsschatten verstevigde de instelling van vaste man-vrouw relaties. Geld speelde een belangrijke rol bij het mitigeren van agressie in clan-oorlogen en ‘misdaden’. Het stelde ons eveneens in staat om binnen onze clans (meestal tussen de 20 en 150 personen) te specialiseren in afzonderlijke disciplines. Tot slot, liet het ons toe om per clan te specialiseren in specifieke jacht-activiteiten.[1:2]

Deze primitieve vormen van geld werden dus in het begin amper gebruikt om dingen te kopen en te verkopen. We gebruikten ze om relaties tussen mensen vast te leggen en als een teken van sociale status binnen onze groepen. De belangrijkste functies van primitief geld waren het arrangeren van huwelijken en het oplossen van conflicten (voornamelijk moord en verwondingen).[3] Primitieve verzamelobjecten deden dienst als bloed-geld en bruids-geld.[4]

Een moord op een medemens werd gecompenseerd met een betaling van geld (Wergeld). Het Engelse 'to pay' ('betalen', Frans: 'payer') heeft zijn ethymologische oorsprong in het Latijnse 'pacare' dat zoveel betekende als 'vrede maken', 'verzachten', 'kalmeren'. Het is onmogelijk om een menselijk leven te compenseren met geld maar we leerden dat het soms beter is om een koele transactie te accepteren dan eindeloze vendetta's uit te vechten. Eveneens was primitief geld een ideale manier om orde te handhaven tussen clans in oorlog. We hadden opnieuw door dat het veel interessanter was om regelmatige offers te vragen aan overwonnen clans dan ze compleet de decimeren (je kan dit een primitieve toepassing van de Laffer-curve noemen).[1:3]

De onmogelijkheid om een menselijk leven te compenseren met geld komt opnieuw terug in het gebruik van bruidschatten. Volgens Philippe Rosbapé, een Franse econoom-anthropoloog, diende primitief geld niet om schulden mee af te lossen. Het was een manier om het bestaan van een schuld te erkennen, die onmogelijk terugbetaald kon worden. Een bruidschat wordt betaald aan de familie of clan van de vrouw als een erkenning van een openstaande schuld. De enige gepaste terugbetaling is namelijk de gift van andere vrouw. Via huwelijksrituelen en bruidschatten voorzien clans in het voortbestaan van hun groep over generaties.

Wellicht wisselden deze objecten niet zo vaak van eigenaar binnen een generatie. Maar als ze in een gesloten cirkel konden gebruikt worden in een of meerdere van bovenstaande instellingen verlaagden ze transactiekosten in transfers en de transfers brachten ons ontzettende evolutionaire voordelen. De hoge kost van het produceren van deze objecten werd gespreid over vele generaties en transacties. Het belang van een gesloten en herhaalde cirkel is niet te onderschatten want zonder de cirkel zouden de objecten snel waardeloos worden. Archeologen en antropologen identificeerden overal ter wereld gesloten cirkels die primitieve handel en waardetransfers door middel van collectibles aantoonden. Ook meer recente gemeenschappen van jager-verzamelaars vertonen deze patronen.

Verzamelobjecten met specifieke kenmerken

Het gebruik van primitieve collectibles verlaagde de cognitieve kost van het bijhouden van gunsten en maakte bovenstaande instellingen van waardetransfers mogelijk. Dit was oorspronkelijk veel belangrijker dan het oplossen van het schaalprobleem van ruilhandel bij prehistorische Homo Sapiens. Collectibles waren een belangrijke verbetering in de werking van het wederkerig altruïsme van onze soort. Het liet ons toe om samen te werken op manieren die andere soorten niet kunnen.

Wanneer een gesloten cirkel tot stand kwam en onze ruilobjecten een zekere subjectieve waarde kregen, begonnen we met het produceren van deze verzamelobjecten enkel en alleen voor hun specifieke eigenschappen. Een aantal kenmerken waren noodzakelijk voordat een object dienst kon doen als een gewild verzamelobject:

Bestand tegen verlies of diefstal. Dit betekende meestal dat de objecten op ons lichaam draagbaar waren en/of makkelijk te verstoppen waren.

Bestand tegen namaak. Objecten moesten onvervalsbaar kostelijk zijn. Ze waren een aantoonbaar bewijs van werk. Iedereen kan makkelijk verifiëren dat tijd (energie) nodig was om ze te produceren.

– De waarde van een object moest makkelijk identificeerbaar of meetbaar zijn. Een ketting van schelpen was bijvoorbeeld makkelijk te tellen.

Overal ter wereld hadden mensen een motivatie om objecten te verzamelen die aan deze kenmerken voldoen. Szabo stelt dat deze motivatie genetisch ingegeven is en dat het ons een evolutionair voordeel gaf. Of dit nu genetisch bepaald is of niet maakt voor mij minder uit. Het lijkt erop dat we hier een voordeel bij hadden en dat is genoeg.

Het tweede kenmerk verdient nog wat extra uitleg. Op het eerste zicht lijkt het nogal verspillend om een object te produceren enkel en alleen omdat het kostelijk is om te doen. Echter, een onvervalsbaar kostelijk object (unforgeable costliness) voegt waarde toe bij iedere transactie. De hoge kost van het produceren wordt over vele transacties geamortiseerd of uitgesmeerd.

Conclusie

We staan vandaag als mensheid op de schouders van reuzen. Generatie per generatie verwerven we kennis en accumuleren we rijkdom. Geld mag dan wel zijn oorsprong hebben in mythes en abstractie, vanaf het moment dat we deze functie ondekten startte een medogenloze competitie tussen verzamelobjecten. Om dienst te doen als medium om waarde doorheen de tijd te transfereren moet geld nog aan een derde functie voldoen. Het moet namelijk een goed oppotmiddel ('store-of-value') zijn. Waar dit op neer komt, is dat het schaars moest zijn. Een clan die een vorm van geld hanteerde dat niet onvervalsbaar kostelijk was, werd weggeconcurreerd. Dit is in essentie waarom edele metalen zoals goud vandaag een monetaire premie hebben. Zeer specifieke moleculaire eigenschappen van goud geven dit edelmetaal welbepaalde kenmerken die het een ideaal geld maakten. Goud ontginnen is een kostelijke bezigheid en het is niet zo makkelijk om te vinden. Er is op aarde (en in het universum) een schaarse hoeveelheid goud en die ‘nutteloze gele steen’ werd de uiteindelijke winnaar op de vrije markt voor geld na een competitie van vele generaties en duizenden jaren. Goud voldeed beter aan de eigenschappen die we zoeken in geld. Laat het reeds duidelijk zijn dat dit in sterk contrast staat met het papiergeld dat we vandaag gebruiken maar dit verhaal houden we voor een later artikel.


  1. Szabo, N. (2002) - Shelling out. On The Origins Of Money ↩︎ ↩︎ ↩︎ ↩︎

  2. Graeber, D. (2011) - Debt, The First 5000 Years, Ch. 1, p. 29. ↩︎

  3. Graeber, D. (2011) - Debt, The First 5000 Years, Ch. 2, p. 60. ↩︎

  4. Davies, G. (2002) - A History Of Money, Ch. 1, p. 24. ↩︎